Korten bij pensioenfondsen: hoe werkt dat?

De ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraden van de meeste pensioenfondsen laat de laatste tijd een stijgende lijn zien. Veel fondsen zijn hiermee voorlopig uit de (directe) gevarenzone, maar dit betekent niet dat een eventuele korting ook voor de toekomst helemaal van de baan is.

Per 1 januari 2015 is de beleidsdekkingsgraad (BDG) geïntroduceerd als onderdeel van het nieuwe financieel toetsingskader. Centraal binnen dit toetsingskader staat de ontwikkeling van de BDG in de loop van de tijd. In dit artikel maken we inzichtelijk welke wettelijke bepalingen er zijn rond BDG, wat fondsen moeten doen als de BDG te laag is, hoe de te nemen maatregelen zich ten opzichte van elkaar verhouden en hoe deze in de tijd kunnen worden ingezet. Dit lichten we toe met een aantal voorbeelden.

Wettelijk kader

Hieronder hebben we alle relevante artikelen uit de Pensioenwet (PW) onder elkaar gezet. Daarna volgt de inhoudelijk toelichting.

Art. 131 PW:     stelt eisen aan het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV). Dit MVEV wordt fondsspecifiek vastgesteld en ligt in de regel tussen 104 en 105%.

Art. 132 PW:     stelt eisen aan het vereist eigen vermogen (VEV). Dit VEV wordt fondsspecifiek vastgesteld en ligt meestal tussen 120 en 130%.

Art. 133a PW:   op grond van dit artikel dient het pensioenfonds een BDG vast te stellen, welke een gemiddelde is van de dekkingsgraden van de afgelopen 12 maanden.

Art. 134 PW:     verplicht pensioenfondsen tot korten van aanspraken als de BDG zich gedurende geruime tijd onder het MVEV- dan wel VEV-niveau ligt. Dit is een ultimum remedium.

Art. 138 PW:     verplicht pensioenfondsen om een herstelplan op te stellen zodra de BDG per het einde van een kalenderkwartaal onder het VEV-niveau ligt. Het pensioenfonds moet binnen 10 jaar weer op VEV-niveau komen.

Art. 139 PW:     verplicht pensioenfondsen om een geactualiseerd herstelplan op te stellen als de BDG bij de jaarlijkse meting nog steeds onder het VEV-niveau ligt.

Art. 140 PW:     verplicht pensioenfondsen om – indien de BDG 6 opeenvolgende meetmomenten onder het MVEV-niveau ligt en bij laatste vaststelling ook onder dat niveau – direct maatregelen te nemen om weer op het MVEV-niveau te komen.

Wanneer ontstaat formeel een tekort?

Het formele meetmoment voor het vaststellen van de BDG ligt altijd op het einde van een kalenderkwartaal. De BDG wordt weliswaar iedere maand gemeten, maar een meting die niet plaatsvindt per het einde van een kalenderkwartaal leidt niet tot directe gevolgen zoals beschreven in dit artikel. Op het moment dat een fonds per het einde van het kalenderkwartaal vaststelt dat de BDG zich onder de VEV-grens bevindt, is dus sprake van een tekort. Omgekeerd geldt hetzelfde: op het moment dat een fonds per het einde van een kalenderkwartaal vaststelt dat de BDG zich boven de VEV-grens bevindt, is niet langer sprake van een tekort.

Korten conform art. 134 PW

Een van de mogelijke maatregelen die in een herstelplan staan, is de kortingsmaatregel, zoals opgenomen in art. 134 PW. Deze maatregel is een ultimum remedium. Dit houdt in dat deze enkel mag worden ingezet als alle andere maatregelen die zijn opgenomen in het herstelplan, zijn ingezet. Het besluit tot korten dient te worden genomen door het bestuur van het pensioenfonds, onder toepassing van een evenwichtige afweging van belangen van alle belanghebbenden. Moet worden gekort per datum X, dan dienen deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en de werkgever uiterlijk 1 maand vóór datum X over het besluit tot korten te worden geïnformeerd.

De eerste korting moet – in verband met de eis van tijdsevenredig herstel – worden doorgevoerd binnen het eerste hersteljaar, gerekend vanaf het eerste formele meetmoment[1].

Herstelplan (art. 138 PW)

Conform art. 138 PW moet een pensioenfonds een herstelplan opstellen wanneer de BDG per het einde van een kalenderkwartaal is komen te liggen onder het vereist eigen vermogen (hierna: VEV). In dit herstelplan werkt het fonds uit hoe het verwacht binnen 10 jaar weer op de vereiste VEV-grens uit te komen.

Als blijkt dat als ultieme maatregel moet worden gekort op de pensioenaanspraken en –rechten, dan kan dit in één keer gebeuren[2], maar dit mag ook worden verspreid over 10 jaar. Dit dient dan wel minimaal tijdsevenredig te zijn.

Voorbeeld 1:

–      Per 31-12-2017 bevindt de BDG zich onder de VEV-grens.

–      Binnen drie maanden dient het fonds een herstelplan in: uiterlijk per 31-03-2018.

–      Het herstelplan wordt uiterlijk van kracht zes maanden nadat het tekort formeel is ontstaan: dus uiterlijk per 30-06-2018.

–      Het herstelplan loopt 10 jaar vanaf de datum dat het tekort formeel is ontstaan, dus tot en met 31 december 2027.

Het herstelplan wordt beëindigd als de BDG per het einde van een kalenderkwartaal weer boven het VEV ligt. Vanaf dat moment mag het pensioenfonds eventuele herstelmaatregelen beëindigen. Dit geldt dus ook voor eventuele voorwaardelijke kortingen die in toekomstige jaren nog zouden worden doorgevoerd. Die zijn immers niet meer nodig, het vereiste VEV-niveau is bereikt[3].

Herberekening BDG (art. 139 PW)

De BDG moet vervolgens jaarlijks per dezelfde datum opnieuw worden berekend (art. 139 PW). Zou een fonds hebben besloten tot een korting die over 10 jaar wordt uitgesmeerd, dan is de korting in het eerste jaar onvoorwaardelijk. De rest van de korting (jaar 2 tot en met 10 van het herstelplan) is voorwaardelijk en hangt af van de actualisering van het herstelplan. Met deze actualisering vervalt de eerder vastgestelde 10-jaarsperiode, en begint een nieuwe periode van 10 jaar te lopen. Dit plan dient binnen drie maanden te worden ingediend.

Voorbeeld 2:

–      Het herstelplan uit voorbeeld 1 is nog steeds van toepassing.

–      Per 31-12-2018 dient het fonds de BDG opnieuw vast te stellen.

–      De eerste korting moet uiterlijk worden doorgevoerd per 31-12-2018. Of in de jaren daarna ook moet worden gekort, moet ieder jaar opnieuw worden bezien tijdens de actualisatie van het herstelplan.

–      Indien wordt gekort per 31-12-2018, moeten deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en de werkgever uiterlijk per 30-11-2018 worden geïnformeerd over het besluit tot korten.

–      Er begint een nieuwe meetperiode te lopen, waardoor het geactualiseerde herstelplan loopt tot en met 31-12-2028.

–      Het geactualiseerde herstelplan moet uiterlijk op 31-03-2019 worden ingediend.

Directe maatregelen na 5 jaar (art. 140 PW)

Indien de beleidsdekkingsgraad die op grond van artikel 138, zevende lid is vastgesteld zes maal opeenvolgend ligt onder het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV) en de dekkingsgraad bij die laatste vaststelling ook onder dat niveau ligt, moet het pensioenfonds binnen zes maanden maatregelen nemen waardoor de dekkingsgraad direct voldoet aan het MVEV-niveau (art. 131 PW). In dit geval dient direct een korting te worden doorgevoerd ter grootte van het verschil tussen de feitelijke dekkingsgraad en het MVEV. De BDG is dus leidend voor de vraag óf het fonds moet gaan korten, maar de feitelijke dekkingsgraad is leidend voor de hoogte van de korting. Dit mag in de tijd worden gespreid, maar deze korting is volledig onvoorwaardelijk.

Hoe verhoudt deze maatregel zich nu tot het conform art. 138 PW op te stellen herstelplan?

In het herstelplan wordt beschreven hoe het fonds binnen 10 jaar weer op het VEV-niveau uit komt. Hiervoor heeft het fonds een aantal maatregelen tot haar beschikking. Het herstelplan wordt in de regel zo opgesteld, dat de BDG ieder jaar een stuk hoger ligt dan het jaar ervoor, net zo lang tot het VEV-niveau wordt gehaald.

Maar als blijkt dat het in het herstelplan opgenomen herstelpad van 10 jaar – om welke reden dan ook – in de praktijk niet wordt gevolgd en de BDG tegen de verwachting in vijf jaar (en daarmee zes meetmomenten) lang onder het MVEV-niveau blijft, moet de 5-jaarsmaatregel van art. 140 PW worden ingezet.

Ten aanzien van de 5-jaarstermijn geldt verder het volgende:

  • Op 11 april 2018 is de Verzamelwet Pensioen 2017 in werking getreden. Dit Wetsvoorstel verduidelijkt dat er in het geval van de 5-jaarsperiode van artikel 140 PW sprake is van vijf jaar, ofwel zes meetmomenten. Dit sluit aan bij de interpretatie die DNB in de praktijk reeds hanteerde – conform de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel FTK.
  • Als de in enig jaar vastgestelde BDG op een formeel meetmoment boven het MVEV ligt, dan wordt de meetperiode beëindigd. Wisselingen in de BDG worden dus niet meegenomen als ze niet op een formeel meetmoment liggen. De periode van vijf jaar begint dan weer opnieuw te lopen. Dit heeft DNB ook zo bevestigd in een brief aan het Ministerie van SZW in februari 2014[4].

 

Voorbeeld 3:

–      Het herstelplan uit voorbeeld 1 en 2 is van toepassing.

–      Op 31-12-2017 is geconstateerd dat de BDG zich onder het VEV-niveau bevindt.

–      Per 31-12-2018 wordt de eerste korting doorgevoerd. Zelfs na deze korting daalt de BDG door slechte marktomstandigheden tot onder het MVEV-niveau.

–      Per 31-12-2019, 31-12-2020, 31-12-2021, 31-12-2022 én 31-12-2023 is de BDG nog steeds lager dan het MVEV.

–      Het fonds dient vóór 30-06-2024 maatregelen te nemen om direct op het MVEV uit te komen. Dit zal in de regel gebeuren door het doorvoeren van een korting, die uiterlijk per 30-06-2024 moet worden toegepast.

–      Het fonds dient uiterlijk 31-05-2024 de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en de werkgever te informeren over het besluit tot korting.

NB: voor de overzichtelijkheid is de over 10 jaar uitgespreide korting die het fonds moet doorvoeren (zoals omschreven in voorbeeld 1) niet meegenomen in dit voorbeeld. In de werkelijkheid zullen verschillende maatregelen naast elkaar lopen, die uiteindelijk ook invloed hebben op de hoogte van de BDG en daarmee ook op de door te voeren korting.

Voorbeeld 4:

–      De situatie uit voorbeeld 3 is van toepassing.

–      Per 31-12-2018, 31-12-2019 en 31-12-2020 bevindt de BDG zich onder het MVEV-niveau.

–      Per 31-12-2021 stijgt de BDG tot boven het MVEV-niveau.

–      Op dit moment begint een nieuwe 5-jaarsperiode te lopen. Als de BDG dan per 31-12-2022 weer onder het MVEV-niveau komt, duurt het minimaal tot 31-12-2027 voordat besloten hoeft te worden tot een directe korting conform art. 140 PW.

Heeft u vragen over dit artikel? Neem dan contact op met Maureen de Baaij via maureen.de.baaij@montae.nl of 06 25 64 52 70

[1] Zie http://www.toezicht.dnb.nl/3/50-232530.jsp

[2] Zie http://www.toezicht.dnb.nl/3/50-233281.jsp

[3] Zie http://www.toezicht.dnb.nl/3/50-232909.jsp

[4] Brief van DNB aan SZW “aanvullende toezichtstoets wetsvoorstel aanpassing FTK” d.d. 6 februari 2014 – Bijlage bij Kamerstuk 33972 nr. 3

Scroll to top icoontje